Daar komen we voor

Een ree dat op een donkere landweg verschrikt opkijkt in de koplampen van mijn spiksplinternieuwe auto, zich bewust van het feit dat de ondergang aanstaande is: daaraan deed zijn blik me denken.       
‘Welkom bij de club,’ zei ik, en schudde een hand waarvan de poriën overuren hadden gedraaid: naast de zijne was nu ook mijn hand kletsnat.    
Om een reden die voor altijd duister zal blijven, had ik de taak toegewezen gekregen nieuwe medewerkers in het bedrijf wegwijs te maken. Daarom wandelde ik met de man, een vijftigjarige medewerker, een rondje door het gebouw.       
‘Hier zitten de dames van de administratie,’ zei ik, en zwiepte de deur open zodat hij zich aan hen voor kon stellen. Hij wandelde echter niet naar binnen, leek zich achter mij te verschuilen. Daarom wandelde ik eerst naar binnen in de hoop dat hij zou volgen – en zo geschiedde. Na de dames van de administratie wandelde ik langs de receptie, waar de scène zich herhaalde. Dit werkt niet, dacht ik, en nam hem mee naar de lunchruimte, waar ik hem met een kop dampende koffiebouillon hoopte te ontdooien.       

‘Vertel eens wat over jezelf,’ was een vraag die ik daar aangekomen uit mijn kijk-mij-eens-geïnteresseerd-zijn-kanon afvuurde. In dat kanon bevonden zich nog meer vragen, jazeker, waarin ik bijvoorbeeld kon vragen naar eventuele partner en nog eventuelere kinderen. Die vragen bewaarde ik echter nog even.            
‘Ja,’ verklaarde hij waarna hij een stilte liet vallen, ‘wat moet ik zeggen?’ Toen ik hem even aankeek, zag ik dat hij het meende, werkelijk niet wist wat te zeggen. Geduld is een schone zaak, besloot ik. Als je naar een pan water gaat staan kijken, dan raakt hij nooit aan de kook. Ik bleef dus uitermate kalm.           
‘Vrouw?’ vroeg ik. ‘Heb je een vrouw, kinderen?’

Na een kwartier merkte ik nog altijd geen verbetering. Mijn kanon was volkomen leeg, waardoor ik weinig anders deed dan in stilte zielloos aan een slappe koffie nippen.
‘Heb je … heb je verder nog vragen?’ vroeg ik hem toen de wederzijdse marteling lang genoeg had geduurd. Inmiddels al als vanzelfsprekend antwoordde hij met een haast onhoorbaar gemompeld ‘nee’.          
‘Goed. Dan zie ik je morgen, op je eerste echte werkdag.’     
‘Dat is goed,’ zei hij plots monter, stond op en greep naar mijn hand, die hij stevig schudde. Verbaasd keek ik hem aan.     
‘Werken, daar komen we voor,’ zei hij glimlachend, en wandelde met vrolijke tred de koffieruimte uit.   
Ik keek omlaag, voelde nog eens goed. Het was echt waar: mijn hand was kurkdroog.

Meer lezen? www.toonroumen.nl

Comments are closed.