Het vloeibare zwarte goud

De slager heeft het vlees, de bakker heeft het brood en de kantoormens de koffie.  Wie de hele dag op zijn toetsenbord moet tikkerdetikkeren en hele regenwouden papier aan administratie weg heeft te werken, leeft op het vloeibare zwarte goud dat het liefst dampend en met een aan goddelijke perfectie grezend crèmelaagje door de slokdarm glijdt. De geur van koffie brengt ons in vervoering, voert ons mee terug naar de vakantieochtenden dat we vers brood haalden in een Italiaanse supermarkt, naar een memorabele avond op een Franse camping, maar ook minder ver van huis, naar de koffiezaak op de hoek waar we voor het allereerst afspraken met ons lief, naar zwart-witte herinneringen aan de keukentafel van onze grootouders.

Aanvankelijk werd koffie alleen gebruikt als onderdeel van godsdienstige plechtigheden, en dat verbaast me niets. Net als elke religie helpt koffie ons de wrange realiteit van de werkelijkheid te verwerken, om een verzachtend laagje te leggen op de wonden van alledag. Een pleister voor de dorst. Later werden bakjes pleur ook gebruikt als medicijn tegen verschillende kwaaltjes. Achterhaald? Zeker niet! Niets dat beter helpt tegen de kwaal waar niemand harder tegen vecht dan wij: mensonterend slopende vermoeidheid.

Laten we de kartonnen bekertjes richting de hemel heffen en elkaar diep in de ogen aankijken. Dan een seconde of wat gepaste stilte, eerbied voor degene die bedacht dat bonen best gedroogd, vermalen en overgoten met water kunnen worden. Haast onhoorbaar tikken de bekertjes daarna tegen elkaar, koffie klotst over de randjes. We proosten. Op het goede leven, zeggen we, en op de jaren die we nog mogen delen. Woordeloos slurpen we. En daarna, daarna weer terug naar de computers en het papier. We kunnen er weer tegenaan.

Meer lezen? www.toonroumen.nl

Comments are closed.